|
|
|  Veel gestelde vragen | |
|
http://www.vrom.nl/bouwregelgeving_helpdesk
Vraag
Mag de brandweer een eigen gemeentelijk beleid opstellen voor het verstrekken van gebruiksvergunningen voor bestaande bouwwerken en daarbij hogere bouwkundige eisen stellen dan de eisen die gelden op basis van de landelijke bouwregelgeving?
Antwoord
De gemeente mag inderdaad een eigen gemeentelijk beleid vaststellen met betrekking tot bestaande gebouwen. In het kader van de gebruiksvergunning mogen echter alleen gebruikseisen gesteld worden.
Bouwtechnische aanpassingen kunnen alleen worden geëist in het kader van een handhavingsbesluit. De gemeente kan alleen eisen op nieuwbouwniveau stellen aan een bestaand gebouw als zij gebruik maakt van artikel 13 van de Woningwet. Dit betekent dat ieder geval afzonderlijk moet worden beoordeeld en dat moet worden gemotiveerd waarom in die specifieke situatie eisen op nieuwbouwniveau noodzakelijk zijn. Gemeentelijk beleid mag dus niet zonder meer op ieder bestaand gebouw van toepassing verklaard worden. Het beleid kan een richtsnoer zijn, maar er dient altijd een beoordeling en motivering per individueel geval plaats te vinden. Meer informatie hierover vindt u in circulaire MG 2003-19. U vindt deze circulaire op de website www.vrom.nl/bouwbesluit, onder 'publicaties' onder het kopje 'MG over wijzigingen in de bouwregelgeving'. Via de link MG 's 2003, vindt u (onderaan de pagina): MG 2003-19, 17 juli, Brandveiligheid: Bouwbesluit 2003 in relatie tot aanschrijven en gebruiksver-gunningen. Of direct:mg2003_19.pdf
Vraag
Artikel 2.83 van het Bouwbesluit gaat over het onbrandbaar materiaal van een schacht die aan meer dan één brandcompartiment grenst, met de uitzondering van een schacht die ligt in en uitsluitend voert langs toiletruimten of badruimten.
Kunnen bij deze schachten waarvoor een uitzondering geldt (omdat ze alleen langs "natte ruimten" voeren) de brandwerende voorzieningen (zoals de brandmanchetten ofbrandkleppen) dan ook achterwege blijven? Dit omdat de nota van toelichting ook aangeeft dat er weinig tot geen brandbare materialen aanwezig zijn in deze ruimten.
Antwoord
De eis van artikel 2.83 staat los van het al dan niet aanwezig zijn van brandmanchetten of -kleppen. Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat de eis wordt gesteld in verband met het ontstaan van een brand in de schacht.
Brandmanchetten of -kleppen kunnen nodig zijn om aan een bepaalde wbdbo-eis te voldoen. Het Bouwbesluit 2003 (artikel 2.104, eerste lid) zegt dat een toilet- of badruimte niet in een brandcompartiment hoeft te liggen. Als in een appartementengebouw de natte ruimten boven elkaar liggen, en als de natte ruimten niet in een (sub)brandcompartiment liggen, is een van de wegen waarlangs de brand kan door- en overslaan van een verblijfsgebied van een woning naar bijvoorbeeld het verblijfsgebied van een erboven gelegen woning, de weg via de eigen natte ruimte, vervolgens de schacht en daarna de natte ruimte van de bovenliggende woning. De branddoor- enbrandoverslag van een brandcompartiment naar een andere ruimte, eventueel via de schacht, moet ook aan de gestelde eisen voldoen. Daarvoor kan het nodig zijn om bijzondere aandacht te besteden aan de afdichting van doorvoeringen van leidingen door de schachtwand, bijvoorbeeld door middel van brandmanchetten of -kleppen.
Brandmanchetten of - kleppen kunnen een bijdrage aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) leveren, maar het Bouwbesluit 2003 stelt ze niet verplicht. Andere oplossingen kunnen ook voldoen. In sommige gevallen kan ook aan de esin worden voldaan zonder voorzieningen als brandkleppen of brandmanchetten. In de publicatie 'Brandbeveiligingsinstallaties' van de NVBR vindt u hiervoor enige richtlijnen.
Vraag
Het Bouwbesluit stelt in artikel 2.106, eerste lid, een eis aan de WBDBO van een brandcompartiment naar een niet besloten veiligheidstrappenhuis. Geldt hier ook een eis voor de weerstand tegen rookdoorgang (WTRD)?
Antwoord
Nee, dat is niet nodig want de eis aan de WBDBO leidt er tevens toe dat de rook wordt tegengehouden. Een voorbeeld van een niet besloten veiligheidstrappenhuis is een stalen vluchttrappenstelsel buiten aan de gevel van een gebouw. De deuren die toegang geven tot deze vluchttrappen behoeven niet zelfsluitend te zijn, omdat zelfsluitende deuren alleen worden geeist in inwendige scheidingsconstructies. Of een veiligheidstrappenhuis 'besloten' is, kan zonodig worden bepaald op grond van de toelichting van artikel 2.169 van het Bouwbesluit.
Vraag
Wij zijn een zorginstelling voor meervoudig visueel gehandicapten. Mijn vraag is:
Ieder jaar komt de brandweer langs om de gebouwen te inspecteren i.v.m. de gebruikersvergunningen. De bestaande woonpaviljoens bestaan inmiddels ongeveer 20 jaar.Toch wordt er getoetst op de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit, waardoor wij iedere keer best voor hoge kosten komen te staan. Mag dit zomaar?
Bijvoorbeeld moeten er nu ineens noodverlichtingsarmaturen aan de buitenzijde boven de nooduitgangen komen. Inderdaad in het bouwbesluit staat dit bij nieuwbouw artikel 2.59.3 en niet bij bestaande bouw. De inspectie van de brandweer toetst alleen maar naar nieuwbouw maatstaven volgens het Bouwbesluit. Kan dit zo maar?
Antwoord
Nee, de gemeente mag niet zonder meer toetsen op nieuwbouwniveau. Daarnaast mag de gemeente bij toetsing van de gebruiksvergunning alleen gebruikseisen stellen, geen bouwtechnische eisen. Wanneer het gebouw niet voldoet aan de minimale bouwtechnische eisen, kan de gemeente in het kader van de gebruiksvergunning wel bijvoorbeeld het gebruik van het bouwwerk beperken. Bouwtechnische aanpassingen kunnen alleen worden geëist in het kader van een handhavingsbesluit.
De gemeente kan alleen eisen op nieuwbouwniveau stellen aan een bestaand gebouw als zij uitgaat van de eisen die de Woningwet aan een handhavingsbesluit stelt. Dit betekent dat ieder geval afzonderlijk moet worden beoordeeld en dat moet worden gemotiveerd waarom in die specifieke situatie eisen op nieuwbouwniveau noodzakelijk zijn. Het is mogelijk dat de gemeente een eigen gemeentelijk beleid voert op dit onderwerp, maar dit gemeentelijk beleid mag dus niet zonder meer op ieder bestaand gebouw van toepassing verklaard worden. Het beleid kan een richtsnoer zijn, maar er dient altijd een beoordeling en motivering per individueel geval plaats te vinden.
Meer informatie hierover vindt u in circulaire MG 2003-19. U vindt deze circulaire op de website www.vrom.nl/bouwbesluit, onder 'publicaties' onder het kopje 'MG over wijzigingen in de bouwregelgeving'. Via de link MG 's 2003, vindt u (onderaan de pagina): MG 2003-19, 17 juli, Brandveiligheid: Bouwbesluit 2003 in relatie tot aanschrijven en gebruiksvergunningen. Of direct: mg2003 19
Vraag
Waarom verwijst het Bouwbesluit naar NEN 6065 en NEN 6066 m.b.t. het brandgedrag van materialen (brandvoortplanting, rookproductie)? Daarvoor bestaan toch al Europese normen.
Antwoord
Er is een wijziging van het Bouwbesluit in voorbereiding waarin het Bouwbesluit rechtstreeks naar de Euroklassen volgens NEN-EN 13501-1 verwijst.
De Regeling Bouwbesluit 2003 (artikel 1.2, lid 3) biedt overigens nu reeds de mogelijkheid om voor het bepalen van het brandgedrag van constructies en materialen, naar keuze gebruik te maken van ofwel de bestaande Nederlandse normen, ofwel de Europese norm NEN-EN 13501-1. De relatie tussen de in het Bouwbesluit 2003 opgenomenbrand- en rookklassen 1 t/m 4 en de Euroklassen B t/m D is aangegeven in een in de regeling opgenomen tabel.
Vraag
Deuren van vluchtroutes mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien. Maar wanneer dit buitendeuren zijn mogen ze niet over de openbare weg openen. Wat mag er nu wel en niet bij buitendeuren die tevens deuren in vluchtroutes zijn?
Antwoord
Voor het beantwoorden van deze vraag dienen eerst twee andere vragen beantwoord te worden: a. Wanneer mag een buitendeur naar buiten draaien? b. Wanneer mag een vluchtdeur niet tegen de vluchtrichting in draaien? De antwoorden op deze vragen zijn te vinden in het Bouwbesluit in de afdelingen 2.10 (beweegbare constructieonderdelen) en 2.17 (vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment). Voor nieuwbouw en bestaande is dit echter verschillend ingevuld. a) Uitgangspunt van afdeling 2.10 is dat een te bouwen bouwwerk zodanig beweegbare constructieonderdelen heeft dat veilig kan worden gevlucht en dat veilig gebruik kan worden gemaakt van de aan het perceel grenzende openbare ruimte. Voor nieuwbouw staat in de artikelen 2.75 tot en met 2.78 beschreven in welke gevallen een buitendeur naar buiten mag draaien. Dit mag wanneer: • de deur hoger ligt dan 4,2 meter boven de weg; • de deur hoger ligt dan 2,2 meter boven de weg en draait over een weg voor niet-motorvoertuigen; • de ruimte vóór de deur breder is dan de deurbreedte en geen onderdeel is van een weg voor niet-motorvoertuigen (zoals voet- en fietspaden). Dit kan het geval zijn bij een eigen plantsoen, tuin of portaal; • de ruimte vóór de deur breder is dan de deurbreedte + 0,6 meter en geen onderdeel is van een weg voor motorvoertuigen. Voor bestaande bouw staat in de artikelen 2.79 en 2.80 (afdeling 2.10) beschreven in welke gevallen een buitendeur naar buiten mag draaien. Dit mag wanneer: • de deur hoger ligt dan 4,2 meter boven de weg; • de ruimte vóór de deur breder is dan de deurbreedte en geen onderdeel is van een weg voor motorvoertuigen. Dit kan het geval zijn bij een eigen plantsoen, tuin of portaal. Praktisch gezien betekent dit bij nieuwbouw dat een buitendeur op de begane grond of eerste verdieping niet over een weg voor niet-motorvoertuigen (o.a. voet- en fietspaden) mag draaien. Daarnaast dient er bij een weg voor motorvoertuigen een extra afstand van 0,6 meter tot die weg aangehouden te worden, zodat de persoon die het gebouw verlaat niet het risico loopt direct door een motorvoertuig te worden geschept of overreden. Bij bestaande bouw mag een buitendeur op de begane grond of eerste verdieping niet over een weg voor motorvoertuigen draaien. b) Afdeling 2.17 regelt dat een te bouwen bouwwerk zodanig is dat een rookcompartiment en een subbrandcompartiment voldoende snel en veilig kunnen worden verlaten. In de artikelen 2.146 en 2.148 (nieuwbouw) en de artikelen 2.151 en 2.152 (bestaande bouw) wordt bepaald dat een deur niet tegen de vluchtrichting in mag draaien als er meer dan een bepaald aantal vierkante meter oppervlakte op die deur is aangewezen. Indien een deur tegen de vluchtrichting indraait, kan het anders gebeuren dat de deur niet meer te openen is omdat de voorste personen ertegenaan geduwd worden. Praktisch gezien komt het erop neer dat als er bij nieuwbouw meer dan 15 -37 personen gebruik van een deur moeten kunnen maken, deze niet tegen de vluchtrichting in mag draaien. Bij bestaande bouw gaat het om 24-60 personen. Soms zal er dus een conflict ontstaan: een deur mag op grond het ene voorschrift niet naar buiten draaien en mag op grond van het andere voorschrift niet naar binnen draaien. Toch moet ook in zo'n geval aan beide voorschriften voldaan worden. Enkele oplossingen voor dit probleem zijn: a. Het maken van een portaal waarbij de buitendeur verder naar binnen geplaatst wordt, waardoor deze binnen het portaal draait en niet meer over de openbare weg. b. Het maken van een portaal met een extra deur aan de binnenzijde. Bij deze oplossing dient de (naar binnen draaiende) buitendeur bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk in de geopende stand vastgezet te worden. c. Voor beide mogelijkheden geldt dat de deuren niet tegen de vluchtrichting mogen indraaien en dat de draaicirkel geheel binnen het gebouw valt. d. Door het aantal personen dat van de vluchtdeur gebruik moet maken zover te beperken dat de deur tegen de vluchtrichting in mag draaien, wordt een conflict vermeden. Dit is echter een drastische oplossing die alleen toegepast moet worden als andere oplossingen niet mogelijk zijn.
Vraag
In het Bouwbesluit staat aangegeven dat tussen brandcompartimenten een brandscheiding moet zijn aangebracht. Aangegeven staat dat toiletruimten en badruimten geen onderdeel uitmaken van een brandcompartiment. Houdt dit in dat tussen een schacht (brandcompartiment) en een toiletruimte geen WBDBO-eis (weerstand tegenbranddoorslag en brandoverslag) geldt? Moet deze toiletruimte dan op een andere plek van de rest van het brandcompartiment met een brandwerendheid worden bescheiden? Als de deur van een toilet geen brandwerendheid heeft kan vanuit 1 brandcompartiment via de deur via de schacht een andere toiletruimte worden bereikt. Daarmee zou onvoldoende brandwerendheid tussen de brandcompartimenten zijn, is dit correct? Waar moeten nu wel en geen brandscheidingen worden aangebracht?
Antwoord
Inderdaad. Tussen een brandcompartiment en een niet in een brandcompartiment gelegen ruimte behoeft niet altijd een brandscheiding aanwezig te zijn. Dit kan onder meer gelden voor een toiletruimte. Ook is uw constatering juist, dat de brandwerendheid tussen de aangrenzende brandcompartimenten dan elders moet worden gewaarborgd. De eisen uit artikel 2.106 lid 1, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen twee brandcompartimenten blijven namelijk onverkort van toepassing. Kortom, een brand buiten de toiletruimte mag niet ongehinderd naar een ander brandcompartiment kunnen door- of overslaan.
Vraag
Moet de brandwerendheid van een stalen kolom van een industrieloods altijd 30 minuten zijn.
Antwoord
Nee, dat hoeft meestal niet. De eis van 30 minuten brandwerendheid geldt alleen, als door het bezwijken van de kolom een rookvrije vluchtroute onbruikbaar wordt (Bouwbesluit, artikel 2.9, eerste lid). Indien de hal niet groter is dan één rookcompartiment, is hiervan echter vaak geen sprake. Als de stalen kolom onderdeel is van de hoofddraagconstructie (meestal dus), dan zijn het vierde en zesde lid van artikel 2.9 van toepassing. Als geen vloer van een verblijfsgebied van de industrieloods hoger dan 5 m boven het meetniveau ligt, geldt geen eis voor de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken.
Vraag
Wat is het verschil tussen een brandcompartiment en een sub-brandcompartiment?
Antwoord
Een subbrandcompartiment is in feite een brandcompartiment in een brandcompartiment. Binnen een brandcompartiment kunnen meerdere subbrandcompartimenten voorkomen die ervoor moeten zorgen dat een eenmaal ontstane brand zich gedurende minimaal 30 minuten niet verder uitbreidt dan het subbrandcompartiment. Het begrip subbrandcompartiment is ingevoerd voor de woonfunctie, de logiesfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, de celfunctie en de gezondheidszorgfunctie. Doel is ervoor zorg te dragen dat personen die liggen te slapen bij brand een extra bescherming kunnen genieten.
Vraag
Dienen de kantoorruimten in een grote opslaghal brandwerend gescheiden te zijn van die hal, daar ik dacht dat verschillende gebruiksfuncties brandwerend gescheiden moeten zijn.
Antwoord
De brandcompartimentering wordt geregeld in afdeling 2.13.1 (nieuwbouw) van het Bouwbesluit 2003
In een brandcompartiment mogen in het algemeen twee of meer ruimten, twee of meer gebruiksfuncties of twee of meer gebouwen liggen, op voorwaarde dat deze allemaal op hetzelfde perceel liggen en het brandcompartiment niet groter is dan is toegestaan (1000 m2, zoals aangegeven in artikel 2.105 in combinatie met tabel 2.103). In het zesde tot en met het achtste lid van artikel 2.15 is aangegeven welke ruimten een zodanig brandgevaar opleveren, dat deze in een apart brandcompartiment moeten liggen, namelijk een stookruimte, een technische ruimte en een ruimte voor opslag van gevaarlijke stoffen. De kantoorruimten hoeven dus niet per se brandwerend gescheiden te zijn van de opslaghal, zolang de oppervlakte van 1000 m² van kantoor- + opslagruimten niet wordt overschreden.
Vraag
Bij de bepaling van de omvang van een subbrandcompartiment met een gezondheidszorgfunctie met aan bed gebonden patienten (bestaande bouw artikel 2.122), wordt bij het bepalen van de omvang rekening gehouden met permanente bewaking van het subbrandcompartiment. Mag dit bestaan uit een brandmeldinstallatie met volledige bewaking of moet dit een persoon zijn. Indien dit laatste het geval is, in welke regelgeving is dit terug te vinden?
Antwoord
Met de term 'permanente bewaking' in artikel 2.117 lid 7 en 2.122 lid 5 is bedoeld dat er 24 uur per dag voldoende verplegend personeel is om alle aanwezigen binnen enkele minuten te evacueren. (Zie ook de Nota van Toelichtingbij artikel 2.116 en 2.117). Dit is al snel het geval bij bijvoorbeeld een intensive care afdeling. In zo’n situatie is er continu iemand aanwezig die belast is met het toezicht op de patiënten. Hierdoor zal er bij brand in de ruimte van de patiënten zeer snel gehandeld kunnen worden.
Hoe meer personen in een subbrandcompartiment, hoe meer personeel nodig is. De bedoeling van subbrandcompartimentering is tweeledig. Brand en rook komen de eerste 30 minuten niet buiten het subbrandcompartiment waarin de brand is begonnen. Subbrandcompartimenten waarin de brand niet is begonnen, bieden gedurende de eerste 30 minuten veiligheid.
In een situatie waarin geen subbrandcompartimentering is toegepast, wordt brand en rook slechts in beperkte mate geisoleerd binnen de ruimte waarin de brand is begonnen. De hele verpleegafdeling ligt dan in het subbrandcompartiment waarin de brand is begonnen. Bij een zich snel ontwikkelende brand kan een 'ontruimingstijd' van 5 tot 7 minuten veel te lang zijn.
Het Bouwbesluit geeft niet scherp aan welke 'ontruimingstijd' toelaatbaar is en hoeveel personeel voor die tijd noodzakelijk is. Het oordeel van de gemeente is hierin bepalend.
De eis van ‘permanente bewaking’ is een functionele eis. Het komt er op neer dat de gemeente zal moeten aangeven wanneer sprake is van permanente bewaking. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld een combinatie van snel kunnen signaleren van brand en snel kunnen evacueren.
Een meer concrete uitwerking van het begrip is in ontwikkeling doch nog niet beschikbaar. In elk geval is een centrale zusterpost op zichzelf niet voldoende om te voorzien in 'permanente bewaking'.
|
|
|